EHRM veroordeelt België voor schending artikel 7 EVRM bij toepassing Vrijstellingsbesluit
Door Michiel DescheemaekerEHRM veroordeelt België voor schending artikel 7 EVRM bij toepassing Vrijstellingsbesluit
Op 10 juli 2025 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Wulffaert & Wulffaert Beheer NV t. België geoordeeld dat België artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) heeft geschonden. Het Hof oordeelde dat de Belgische rechter ten onrechte geen toepassing gaf aan de mildere strafwet zoals vervat in een latere uitvoeringsbesluit die bepaalde stedenbouwkundige werken vrijstelde van vergunningsplicht.
Dit arrest breekt met de bestaande rechtspraak van het Hof van Cassatie (bv. het arrest van 7 juni 2016, P.15.0135.). Exemplarisch lichten we dit standpunt van Cassatie in voormelde zaak kort toe (dit betreft een andere zaak dan waar het EHRM nu een uitspraak in heeft gedaan):
De verzoekers werden in 2014 strafrechtelijk veroordeeld voor het uitvoeren van bouwwerken zonder stedenbouwkundige vergunning. Het ging onder meer om een tuinpad, een houten terras en een tuinhuis. Deze werken waren uitgevoerd vóór juli 2010, toen een nieuw besluit van de Vlaamse Regering in werking trad dat voor zulke werken geen vergunning meer vereiste.
De nationale rechters, in lijn met het arrest van het Hof van Cassatie van 7 juni 2016 (P.15.0135.N), oordeelden dat de vrijstelling in het nieuwe besluit geen terugwerkende kracht had. De redenering was dat de strafbaarstelling gebaseerd bleef op een wet die ongewijzigd was gebleven; alleen het uitvoeringsbesluit was aangepast. Daarom werden de verzoekers toch veroordeeld.
Wat oordeelt het EHRM?
Het EHRM oordeelt unaniem dat België artikel 7 EVRM heeft geschonden. Die bepaling verbiedt veroordelingen op basis van strafbaarstellingen die op het ogenblik van de veroordeling niet meer gelden. Het Hof benadrukt:
- De retroactieve toepassing van mildere strafwetten is verplicht, ook al gaat het om een wijziging in een uitvoeringsbesluit en niet in de wet zelf.
- De vrijstelling van vergunningsplicht in het besluit van 2010 maakt deel uit van de materiële strafwetgeving, omdat het bepaalt of een bepaalde gedraging nog als strafbaar kan worden beschouwd.
- Het argument van de Belgische Staat dat uitvoeringsbesluiten "te veranderlijk" zijn om retroactief toe te passen, houdt geen steek in dit geval. Het ging immers niet om een tijdelijke maatregel.
- De nationale rechtspraak leidde tot een absurde situatie: de veroordeelden moesten de werken afbreken terwijl ze op dat moment zonder vergunning opnieuw mochten worden uitgevoerd.
Het volledig arrest kan u hier vinden
Gevolgen van het arrest
Het arrest betekent een duidelijke breuk met de Belgische cassatierechtspraak. Voortaan moeten strafrechters, ook in stedenbouwzaken:
- Nagaan of op het ogenblik van de veroordeling een mildere regeling geldt (bv. een latere vrijstelling van vergunning).
- Deze regeling retroactief toepassen, ook als ze vervat zit in een uitvoeringsbesluit en niet in een formele wet.
- Veroordelen achterwege laten wanneer het feit op dat moment niet langer strafbaar is.
In lopende procedures kan dit arrest worden ingeroepen om alsnog vrijspraak of seponering te verkrijgen.
Ook in andere domeinen waar uitvoeringsbesluiten strafbepalingen concretiseren (bv. milieurecht, sociale inspectie), kan dit arrest een belangrijke precedentwaarde hebben.
Wenst u juridisch advies of begeleiding in gelijkaardige dossiers? Contacteer ons team van specialisten in strafrecht en stedenbouwrecht.